Co-lumn juni 2017

Vakantie vs. coschap – Sanne Hagemans

Vakantie, een woord dat voor vele coassistenten een totaal andere betekenis heeft. Je hebt dan wel na elk coschap een of twee weken vrij, echter is het niet meer de zomervakantie waar je altijd zo naar uit keek. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen mooie reizen meer gemaakt kunnen worden gedurende de coschappen.

Het is namelijk mogelijk om een van de coschappen in het buitenland te doen en daar kun je natuurlijk een mooie vakantie aan vast plakken. Van China, Afrika tot Zuid-Amerika eigenlijk is alles mogelijk. Een coschap in het buitenland is vooral verrijkend voor jezelf en je wereldbeeld. Gedurende 3 of 6 weken ervaar je hoe het is om zorgverlener te zijn in een totaal andere cultuur met geheel andere gewoontes. Je leert je snel aan te passen en ontzettend zelfstandig te werken.

Zelf ben ik tijdens mijn bachelor 2 maanden in Zambia geweest, waar ik heb gewerkt in de Maramba Clinic. Een kliniek waar van alles tegelijk gebeurde, zoals het ophalen van medicijnen bij de apotheek, bezoekjes aan de ‘huisarts’ en bevallingen. En werkelijk alles gaat op een manier die ik zelf niet gewend was, waardoor je van de ene verbazing in de andere valt. Tijdens bevallingen liggen vrouwen naast elkaar zonder privacy en vaak is de voorraad lidocaine op waardoor alles zonder verdoving gebeurt. Twee tot drie uur na de bevalling lopen de vrouwen met hun baby de kliniek alweer uit. Wat een verschil met Nederland! Daarnaast was er in het dorp 1 ‘ambulance’, of beter gezegd een truck die patiënten van de verschillende klinieken naar het ziekenhuis kon brengen. Soms moest je meer dan 5 uur wachten tot dat deze gearriveerd was en patiënten hadden zelf het geld niet om een taxi te betalen.

Mijn ervaringen in Zambia hebben ervoor gezorgd dat mijn interesse in het zorgsysteem in het buitenland verder is aangewakkerd. Vandaar ook dat ik mijn keuzecoschappen ga lopen op de SEH van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo. Iets waar ik ontzettend naar uit kijk, omdat ik denk dat je er heel veel van leert. Je leert niet alleen het zorgsysteem in een ander land kennen, maar leert ook heel zelfstandig te werken.

Met andere woorden: coassistenten kunnen gelukkig ook nog genieten van vakanties en als je het dan kan combineren met zulke fantastische ervaringen, is dat naar mijn mening alleen maar mooi mee genomen.

Co-lumn februari 2017

O’dokter duikt in het onbekende – Feline ter Bruggen

Gedurende 6 weken heb ik een keuze-coschap gevolgd op de spoedeisende hulp in Kaapstad, Zuid-Afrika. Op de trauma unit van de Groote Schuur werken zowel chirurgen als spoedeisende hulpartsen. Niet onbekend voor de meeste van jullie aangezien dit toch wel populaire specialismen zijn onder de geneeskunde student. Ik had zeker verwacht de nodige steekwonden en schotwonden te zien, maar wat voor mij onbekend was was het begrip “community assault”. In Kaapstad zijn er verschillende townships, ook wel sloppenwijken, waar het armere deel van de lokale bevolking woont. Ze wonen daar in zogeheten communities waar bijzondere regels van toepassing zijn om te overleven. Een van de regels is dat stelen binnen je eigen community verboden is. Doe je dit wel, dan mag degene die bestolen is jouw “straf” bepalen. Dit gaat van trappen en slaan tot de meest bizarre verwondingen (cq. kokend heet water over iemand heen gooien). Als arts op de spoedeisende hulp moet je dus niet alleen de basale kennis van de acute geneeskunde, zoals de ABCDE en ATLS of het bepalen van de EMV-score beheersen, die wij allemaal kunnen dromen, maar je moet ook elke keer weer voorbereid zijn op de volgende nare verrassing. Hierbij is de manier waarop het gebeurd is lastig te achterhalen door de taalbarrière (niet iedereen spreekt Engels / Afrikaans, maar vaak spreken ze in de townships een van de vele dialecten) of door het lage bewustzijn van de getraumatiseerde patiënt. Het meest leerzame van de SEH in een land als Zuid-Afrika is dan ook om zonder te weten wat er gebeurd is, toch de patiënt te stabiliseren en het juiste beleid op te stellen. Vaak begint dit met het maken van een full body scan en volledig bloedonderzoek met bloedgas. Je zult verstelt staan hoe snel je achter de oorzaak kan komen.

Co-lumn augustus 2016

Een nieuw begin om voor te zorgen – Marij Hartog

Toen ik met mijn coschap Gynaecologie begon, zag ik het helemaal zitten: zo veel mogelijk lieve en prachtige baby’s ter wereld brengen. Ik keek uit naar de reacties van de vaders, deels angstig maar ook verwonderd. Daarbij hoopte ik dat het leed van de bevalling voor de moeders meeviel, zodat ik het later ook nog aan zou durven. Voor het eerst zou de geneeskunde niet alleen draaien om ziekte en dood, maar juist om het leven. Alhoewel zwangerschap strikt gezien een medische aandoening is, zag ik deze moeders-to-be zeker niet als zieke patiënten.

Een tikje naïef misschien, want uiteraard bevielen de meeste vrouwen in het ziekenhuis omdat ze bijkomende ziekten kregen, zoals zwangerschapsdiabetes of pre-eclampsie. Of het kind groeide niet goed genoeg, of juist te hard. En dus een indicatie om in het ziekenhuis te bevallen.

Tijdens mijn nachtdiensten kwamen de vrouwen één voor één binnen, steunend en kreunend. Eén van de eerste bevallingen die ik bijwoonde, was al voorbij voordat ik met mijn ogen kon knipperen. De nacht daarna heb ik 3 uur lang aan het bed gezeten van een jonge vrouw die aan het bevallen was van een premature tweeling. Zij lag al weken met bedrust opgenomen in het ziekenhuis, maar die nacht was het eindelijk zo ver. Met een orkaan aan kracht wist zij beide jongens gezond en wel geboren te laten worden, en ik mocht ze in de couveuse leggen. Hoe prachtig.

Later in het coschap kwam ik erachter dat niet ieder nieuw begin zo zorgeloos was. Het nieuwe leven werd niet altijd even feestelijk ontvangen. Want hoe onbevangen ben je bij de geboorte van je dochter als haar vader over twee weken moet starten met chemotherapie? En hoe dramatisch is het als je met 24 weken geboren wordt, nog niet eens helemaal compleet en nu al beschadigd door de drugs van je moeder? En hoe alleen en verloren ben je als je moeder je dan ook nog eens verlaat en het de arts is die jou aangeeft bij de gemeente?

En hoe kan het gebeuren dat het nieuwe begin al eindigt? Het hartverscheurende verhaal van de jonge vrouw die voor de tweede keer een levenloos kindje draagt. Een leven dat al gestopt is, zonder dat het ooit omarmd heeft kunnen worden. En dan is er nog het drama dat al start voordat er een nieuw begin is; namelijk dat die er nooit zal komen. De paren die ongewenst kinderloos zijn en hierin ook niet zullen slagen.

Het heeft me geleerd dat ieder gezond kind werkelijk een wonder is. En ieder nieuw begin prachtig, maar niet altijd zonder zorgen.

Co-lumn juni 2016

Held in de tropen?! – Marij Hartog

Toen ik in mijn derde studiejaar een minor mocht kiezen, wist ik het wel: op naar het buitenland! We vlogen naar Suriname, waarvan ik toentertijd dacht dat het een kleiner Nederland was, maar dan veel zonniger. Eenmaal aangekomen kwam ik er al snel achter dat ik het helemaal mis had. Het verschil tussen arm en rijk is er enorm, en dat is ook in het ziekenhuis terug te zien.

We brachten de meeste tijd door in Paramaribo, maar gingen ook twee weken naar de binnenlanden; de echte jungle. In een klein vliegtuigje voor 6 personen, 2 kippen, en een hoop bagage vlogen mijn reisgenoot en ik naar ‘Stoelie’ (Stoelmanseiland). Zo’n klein vliegtuigje dat niet van een erkende luchtvaartmaatschappij is. Ik hield me voor dat hier dagelijks mensen in vlogen en deze vliegtuigen heus niet meer crashen dan anderen. Gelukkig landden we dan ook veilig op het eiland dat voor twee weken ons thuis zou zijn. De volgende ochtend was het tijd voor onze eerste werkdag bij de Medische Zending, de gezondheidsorganisatie van de binnenlanden. Ooit opgezet door een Nederlandse arts die met zijn vrouw per boot door de rimboe trok om ziekenhuisjes op te zetten. Ik had er veel zin in en kon niet wachten om de tropengeneeskunde in al zijn facetten te zien: bevallingen, trauma’s en hele zieke kinderen door de malaria of dengue.
Het gebouw bevatte een polikliniek, apotheek en een afdeling. Op de veranda voor de polikliniek zat het al flink vol met wachtende mensen. Zij kwamen uit diverse dorpjes in de buurt, vaak met het hele gezin omdat ze de boot moesten betalen en niet te vaak konden komen. Er was geen triage; wie het eerst komt, wie het eerst maalt. De polikliniek werd gerund door broeders en zusters die door de Medische Zending waren opgeleid en aan de hand van protocollen van Unicef hun beleid bepaalden. Tot mijn lichte verbazing en teleurstelling waren het chronische ziektebeelden die de boventoon voerden: hypertensie en diabetes. Geen acuut zieke patiënten, geen uitgedroogde kinderen. We schreven antihypertensiva voor en hoestsiroop voor faryngitis, die de patiënten dan in zelf meegebrachte lege plastic flesjes mee konden nemen.
Een beetje ontgoocheld, maar een geweldige ervaring rijker kwam ik terug in Nederland. Het idee dat ik als aanstaande dokter de mensen ging redden was niet helemaal juist. Het werd me duidelijk dat je er jaren moet werken, om echt een verschil te maken. Daarbij is onze westerse geneeskunst niet voor alle landen het ultieme middel, vanwege de verschillen in cultuur.
Zo’n ervaring verrijkt vooral jezelf en je wereldbeeld. En dat is de reden waarom het voor iedereen een aanrader is om een stage of coschap in het buitenland te lopen!

Co-lumn maart 2016

De witte jas maakt de dokter – Marij Hartog

Nergens lijkt het aantal dokters per vierkante meter zo hoog te zijn als in een doorsnee passagiersvliegtuig. Het is logistiek onhandig om er een hartaanval te krijgen, maar de kans is vrij groot dat er een dokter aanwezig is om je te reanimeren. Veel dokters zitten er echter niet op te wachten om hulp te verlenen zonder witte jas aan. Nu is het nog wachten op de eerste vliegtuigdokters, maar er zijn natuurlijk veel meer plekken buiten het ziekenhuis waar artsen te vinden zijn. Sterker nog, de helft van alle artsen vind je in het ‘wild’. Zoals de MMT-artsen gehuld in oranje overalls, die met wapperende haren uit de helikopter springen langs de A2. Maar ook artsen die voor Defensie werken zijn regelmatig aan boord van een schip, om daar in provisorische operatiekamers een blinde darm te verwijderen tijdens een lange missie. Dichter bij huis vinden we de ‘witte jassenloze’ dokters op het consultatiebureau, in de GGZ, op het politiebureau en uiteraard in de vele huisartsenpraktijken. De vraag rijst: maakt de witte jas de dokter?

Het traditionele plaatje van een dokter blijft toch een – al dan niet lange, donkere, knappe – man, in een witte jas, met stethoscoop om de nek die in de witte gangen van het ziekenhuis met spoed op weg is naar een acuut zieke patiënt. We weten natuurlijk allang dat dit stereotype dokter achterhaald is. Zo zitten er in de in de collegezaal tegenwoordig (helaas) niet enkel knappe mannen, maar juist veel meer vrouwen. Daarnaast wordt maar een derde van de geneeskundestudenten uiteindelijk specialist. Toch wordt dit stereotype in stand gehouden, niet alleen door de talloze medische televisieseries, maar ook door het aanbod tijdens de studie. Er is gedurende de bachelor veel aandacht voor specialistische leerstof. En tijdens je coschappen breng je ook de meeste tijd in het ziekenhuis door. De artsen binnen de sociale geneeskunde moeten vaak het onderspit delven en dat terwijl zij óók volleerd en kundig dokter zijn. Wat moeten we zonder de bedrijfsarts als we door een ongeval arbeidsongeschikt raken? En wie stopt de influenza epidemie als we geen artsen infectiebestrijding meer hebben? We hebben dokters nodig die ook voor minderheden in de samenleving opkomen, die niet altijd een plekje in het ziekenhuis hebben. Denk aan de verstandelijk gehandicapten, verslaafden of ouderen. De sociale geneeskunde heeft niet het meest spannende imago, terwijl er toch genoeg uitdagingen te vinden zijn. Daarbij zijn de secundaire arbeidsvoorwaarden niet verkeerd; weinig of geen diensten, om 17.00 uur naar huis en vaak meer tijd voor de patiënt. Daarbij zijn het aantal vacatures vaak veel hoger en is de kans om een opleidingsplek te bemachtigen aanzienlijk groter.

En toch blijft die witte jas wel een machtig ding. Na 6 jaar lang studeren mag je hem eindelijk aantrekken. Het staat symbool voor al je kennis en kunde, en geeft je toch een bepaald gezag. Ik ben er zelf nog niet helemaal uit of ik er definitief afscheid van ga nemen. Vooralsnog blijft hij erg handig om mijn telefoon, reflexhamer en notitieboekje in op te bergen!

Co-lumn januari 2016 – Psychiatrie

Mens sana in corpore sano – Marij Hartog

Psychiatrie lijkt soms wel het zwarte schaap te zijn van de geneeskunde, geheel onterecht natuurlijk. Tijdens eerdere coschappen leken de specialisten maar moeilijk overweg te kunnen met ‘psychiatrische patiënten’. “Moeten wij hier iets mee of is het voor de psychiater?”, is een veelgehoorde quote. Gek eigenlijk wel, aangezien dit allemaal patiënten waren die niet voor niets op de Interne, Chirurgie of Kinderafdeling waren opgenomen. Het is sowieso een rare benaming, alsof je ook een borstkankerpatiënt of hyperthyreoïdiepatiënt bent. Die ziektes heb je toch, je bént ze niet? Dat voedt het idee dat een depressie of anorexia nervosa je niet overkomt, maar dat je ze zelf uitlokt, dan wel creëert. Het zit in je hoofd en het is geen tumor die je eruit kunt snijden. Dus dan maar richting een psychiater en in geval van somatische klachten mag je altijd terugkomen.

Psyche en lichaam horen bij elkaar; geen gezond lichaam zonder gezonde geest en vice versa. Zo zal een chronische ziekte je mentaal een flinke optater geven en tegelijkertijd is een depressie voor je lichaam vaak ook slopend. Dat is nog wel het meest fascinerend, stress die zich meester maakt van je lichaam. We kennen het allemaal wel, de brok in je keel voor een moeilijk gesprek of liefdesverdriet waardoor je je eetlust weken kwijt bent. En dat is misschien nog onschuldig, maar wat nu als je benen gevoelloos worden en je invalide wordt zonder aanwijsbare oorzaak. De conversiestoornissen zijn talrijk, divers en soms onvoorstelbaar. Je zal maar 20 keer per minuut moeten niesen of twee maanden onophoudelijk de hik hebben. Het lijken fabeltjes, maar het overkomt vele patiënten. Veelal zijn dit jonge meiden die verstrikt raken in alle problemen, keuzes en ambities van de moderne tijd. De stress vindt een fysieke uitlaatklep, zo zijn er vaak lichaamsdelen die uitvallen of voortdurend uit de kom schieten. Maar vergis je niet, ook het mannelijke geslacht wordt getroffen. Voor allen geldt: geen aanwijsbare oorzaak, en dus een conversiestoornis. Hoe en wanneer het overgaat is totaal verschillend, maar het advies “doe eens normaal” heeft nog nooit iemand geholpen. En als arts je handen er vanaf trekken heeft ook nog nooit iemand beter gemaakt. De schouder moet toch terug in de kom, die hik moet verdwijnen en het gevoel in de benen terugkomen. We zeggen tegen patiënten met diabetes ook niet: “je moet het uit je hoofd zetten”.

We hebben die psychiaters hard nodig, want het aantal patiënten met psychiatrische ziekten blijft stijgen. Maar ook de internist is essentieel om de somatische klachten te behandelen die er mee gepaard gaan. Psychiatrie vind je niet enkel op de gesloten afdeling. Psychiatrie is overal, op de SEH, OK en ja, ook op je eigen zaal. Wees een beetje lief voor ze, ze zijn tenslotte ook ziek.